FOKKERIJ

 

Het exterieur van geiten
  
Beoordeelingsleer is de studie van de uitwendige eigenschappen en vormen der dieren, teneinde daaruit af te leiden de waarde van deze voor een bepaald doeleinde.
Om nu een goed oordeel te kunnen vellen over de eigenschappen en vormen der afzonderlijke uitwendige verhouding is het nodig, dat men zich een voorstel kan maken van het geraamte, zijnde de grondslag van bijna geheel het uitwendige.
Daarom laten we hier een plaatje volgen. Uit het bijstaande onderschrift leert men de namen van de verschillende onderdeelen van het geraamte kennen.
 
 
Ik zal bij de bespreking van het geraamte van de geit de nummertjes gebruiken, die overeenstemmen met de nummertjes op het plaatje en bij het onderschrift daarvan.
Het geraamte wordt verdeeld in beenderen van den kop, die van den romp en die van de ledematen.
Tot de eerste behooren een reeks beenderen, waarvan de bespreking gevoeglijk kan wegblijven.

Tot de beenderen van den romp behooren:
De halswervelkolom (1), bestaande uit zeven halswervels en ligt ongeveer in het midden van den hals.
De ruggewervelkolom (2) met dertien wervels ligt, zoals we zien, vrij laag in het lichaam, en loopt van voren naar achteren iets op. De doornvormige uitsteeksels (dat zijn, die vrijwel loodrecht naar boven zijn gericht), zijn van de voorste het langst, behalve die van de twee voorste ruggewervels. Tusschen de dwarsuitsteeksels van twee op elkaar volgende ruggewervels zijn deze met een kraakbeengewricht verbonden.
De ribben (3), waarvan de acht eerste rechtstreeks met het borstbeen (4) zijn verbonden en daarom ware ribben worden genoemd; de vijf laatste zijn de valsche ribben, welke door kraakbeen zijn verbonden, met het kraakbeen van een voorgaande rib. De ribben zijn naar buiten en naar achteren gewelfd, welke welving bij de eerste ribben nog gering is. Direct achter het schouderblad moet de welving echter al flink zijn voor flinke ruimte voor de ademhalingsorganen.
De lendenwervelkolom (5) sluit weer aan de ruggewervelkolom en bestaat uit zeven (soms acht) wervels. De doornuitsteeksels zijn hiervan kort, de dwarsuitsteeksels zijn lang, om stevigheid aan de lendenstreek te geven. De lendenwervelkolom moet horizontaal verloopen, hetgeen op kracht en sterkte wijst. Is de rug of zijn de lendenen ingedoken, dan spreekt men van flauwen rug en is het gebrek heel erg, dan spreekt men van ‘sabel’-rug. Bij een karperrug of lendenen, verloopt de werlving naar boven.
Het kruis- of heiligebeen (6) volgt op de lendenen en bestaat uit vijf vergroeide wervels.
Ten slotte vormen tien à zestien staartwervels (7) het geraamte van de staart. Het bekken bestaat uit twee helften, elk gevormd door drie aan elkander vergroeide beenderen, zijnde het heupbeen of darmbeen (8), waarvan de knobbel (9) uitwendig te zien is; dan het zitbeen (10) en ten derde, het schaambeen, dat vrijwel horizontaal onder beide andere beenderen en totaal binnen in het dier ligt. Het kruis of bekken moet niet te sterk hellen.
   
Tot de beenderen van de ledematen behooren:
Het dijbeen (11), dat met het bekken een kogelgewricht vormt, dat heupgewricht heet. Niet te verwisselen met ‘de heup’; dat is het heupbeenknobbel. Bovenaan het dijbeen draagt het een knobbel, die groote draaier (12) heet en waaraan men de bekkenbreedte meet. De draaier moet vrij hoog liggen, anders helt het bekken naar beide zijden.
Vóór het onderste deel van het dijbeen ligt de knieschijf (13), waarachter het kniegewricht, gevormd door dijbeen en grootschenkelbeen of scheenbeen (14), aan welk laatste het kleinschenkelbeen of kuitbeen is bevestigd. Het schenkelbeen moet voor een goeden stand met een horizontale lijn een hoek van 140-150 graden maken. Het vormt met de beentjes van het spronggewricht de hak of spronggewricht (15). Een der beentjes van het spronggewricht heet het hiel- of hakbeen (16), waaraan de voorname ‘hakpees’ is bevestigd.
Het pijpbeen (17), bestaande uit twee naast elkaar gelegen geheel vergroeide beentjes, vormt met de beentjes van het spronggewricht één gewricht. Het pijpbeen mag niet te ver naar voren staan, anders krijgt het dier een ‘sabelbeenigen’ stand. Op het pijpbeen volgen twee aan twee naast elkaar liggend twee kootbeentjes (18), twee kroonbeentjes (19) en twee klauwbeentjes (20). Tegen ieder kootbeentje ligt achteraan een pees- of sesambeentje (21). Boven de kootbeentjes liggen de kootgewrichten.
Het schouderblad (22) is enkel door spieren met den romp verbonden. Zijn deze niet krachtig ontwikkeld (jonge dieren, te zwakke dieren), dan zakt de romp iets tussen beide schouderbladen door. Het schouderblad moet, om goeden gang en stand, met het opperarmbeen (23) een hoek van 90 graden en met een horizontale lijn een hoek van 45 graden vormen. Is de schouder te steil, dan is hij ook meestal kort en vaak smal, waardoor weinig spierontwikkeling mogelijk is en ook een ruime gang wordt belemmerd.
Aan het opperarmbeen bevindt zich de voorste boegknobbel (25). Het schouderblad wordt door de kam van het schouderblad (24) in voorste en achterste kamgroeve verdeeld. Het opperarmbeen vormt met het onderarmbeen of voorschenkelbeen (26) één gewricht. Het moet loodrecht staan. Aan het onder- en opperarmbeen is verbonden het elleboogsbeen (27), waaraan de elleboogknobbel.
Het onderarmbeen, vormt met de beentjes van de voorknie (28) een gewricht. Het voornaamste beentje hiervan is het haakbeen (29), waaraan belangrijke spieren hun aanhechtingspunten hebben. Op het onderarmbeen volgt de voorpijp (30), welke ook loodrecht moet staan.
Dan volgen er weer gelijke beentjes als bij het achterbeen.
 
De jong geit groeit ongelijk op: beurtelings bij voor- en achterlijf. Een bevruchte eenjarige geit zal het voorlijf lager dan het acherlijf hebben.
De geit is in hoogte en breedte op vierjarige leeftijd volgroeid; doch strekt zich daarna nog in lengte uit.

De geit moet volgens E. Vandevelde, secreataris van den Provincialen Geitenbond in Belgisch Oost-Vlaanderen wezen:
1. Hoog van gestalte, fijn van pooten en lang van lijf.
2. Klein van kop en zonder horens.
3. Recht van rug en breed van borst en kruis.
4. Breed en diep van buik en diep van gang. 5.
Het voorkomen hebben van een flinke en melkgevende moedergeit.

P. Parmentier, kweeker te Meulebeke (Belgie) zegt: “Een geit moet het vierkant volzetten, gevormd door rechte lijnen van het voorpunt van de schoft, tot den inzet van den steert, als bovenlijn en van de klauwen van voor- en achterbeenen als benedenlijn; met zijlijnen van de inplanting van den staart, alop de hielen tot den voet en van het schoft alover de schouder voor de knieën, tot aan den voorvoet.”
De Geit en hare Verzorging, mei 1917
Sittard, Jacq. Timmermans
Veeteeltconsulent

  

Het exterieur van geiten
  
Gaven we in het voorgaande een plaatje met een onderschrift, waaruit men leerde de namen van de verschillende onderdeelen van het geraamte, thans geven we een afbeelding van een geit, van het exterieur zelf, welke met de nummertjes correspondeeren, die men in het onderschrift vindt.
Ik achtte noodig ook deze afbeelding te geven, om, wanneer we de verschillende uitwendige deelen bespreken, zeker te zijn, goed verstaan te worden. Want het is merkwaardig hoe soms afwijkende benamingen voor de verschillende deelen van het lichaam in verschillende streken van ons land gegeven worden. Nog erger; bepaalde benamingen worden vaak door elkaar gegooid.
Daarom had ik graag dat men ook dit plaatje weer bewaarde, evenals het vorige. Daar hebben we veel gemak van bij de verdere besprekingen van de eischen, aan het exterieur van de geit te stellen.
 
 
Ons plaatje stelt een ongehoornde geit voor. Men heeft liefst ongehoornde geiten. Ongehoornde geiten zouden meer handelbaar wezen en kalmer; men loopt geen gevaar, dat de dieren andere met hun horens wonden; zij raken niet verward in touw of ketting; kunnen niet zoo gemakkelijk het hok of den stal vernielen.
Verder noemt men nog als voordeel, dat uit den aard der zaak al heel gering zal wezen: dat de voedingsstoffen, die noodig waren voor hoornvorming, bij ongehoornde dieren voor betere doeleinden ten goede komen.
En ten slotte wordt nog eens verteld, dat de melk van ongehoornde geiten een milderen smaak heeft dan die van gehoornde, iets, wat ik tot dusver nog niet heb kunnen contateeren. Daartegenover staat, dat het hoornlooze vooral wel wat in doet boeten aan uiting van kracht en sterkte. Dr. Wester wees er reeds op, dat bij bokken dit wel verband kon houden met grootere vatbaarheid voor onvruchtbaarheid.
 
Nemen we nu het plaatje van de geit voor ons, waarop de verschillende uitwendige deelen met cijfertjes zijn aangegeven. Voor het gemak zal ik in deze beschrijving weer overeenkomstige cijfertjes gebruiken.
De voorhoofds- of tusschenhoornkam (1) is een verhevenheid midden op den kop, dus als er horens aanwezig zijn, tusschen beide horens.
De nek (2) ligt tusschen beide ooren; dus vanaf de voorhoofdskam tot het begin van de hals. De profiellijn van den kop, is de lijn, getrokken langs den voorkop. Zij kan recht, maar liefst iets ingedoken wezen onder de oogen; het voorhoofd moet iets welven.
De ooren moeten lang, fijn, licht en fijnbehaard wezen.
De geit moet levendig, maar zacht uit de oogen zien, de bok daarentegen vurig, bij het boosaardige af. 
De kop moet verder nog wezen: edel, vriendelijk, vrij lang, licht, maar in het voorhoofd toch breed. Van een bok iets korter. Nooit spitse muilen en smalle kaken. Een dikke, plompe kop wijst op niet edel zijn en levert vaak moeilijkheden bij geboorte. Reizen in vochtig weer, gebrek of verwaarloozing kunnen tijdelijk of blijvend dikke koppen veroorzaken.
Aan den hals (14) onderscheidt men: een bovenste (15) en een ondersten halsrand (16), waartussen de zijvlakten van den hals. De hals moet vrij lang, slank en toch voldoende gespierd wezen. Vooral uit de voorborst moet hij krachtig komen en naar den kop smaller verloopen. De hals moet schuin, iets ingedoken, dus iets hertenhalsachtig oploopen. Een sterke insnoering van den hals voor de schoft wijst echter op oververedeling of verzwakking. De hals van den bok moet wat korter en krachtiger wezen, zonder grof te zijn. Aan den hals komen wel klokjes voor. Bij het eene ras meer dan bij het andere; zij hebben echter geen beteekenis.
 
De romp wordt verdeeld in drie deelen: ten eerste het voorstel of de voorhand, dat is dat gedeelte, hetwelk is gelegen tusschen loodrechte vlakken, geplaatst voor de boegknobbels en achter de achterste hoeken der schouderbladen; ten tweede, het middenstel of middelhand, die grenzen heeft laatstgenoemd vlak en een loodrecht vlak, geplaatst voor de heupknobbels; ten derde, het achterstel of de achterhand, begrensd door laatstgenoemd vlak en een loodrecht vlak, geplaatst achter de derde zitbeenknobbels.
 
De boeg (19) wordt gevormd door den boegknobbel of katrol van het opperarmbeen.
De schoft (20) wordt gevormd door de lange doornvormige uitsteeksels van de eerste, vooral de vijf eerste, ruggewervels. De schoft moet recht zijn en ook recht in de ruglijn overgaan.
Dan volgt de schouder of het schild (21). Staat de schouder aan den boeg af, boegig, of heeft men te doen met losse schouders, dan wijst dit op slap spierstelsel en banden. Platribbigheid der borst kan mede oorzaak zijn van boegigheid. Dus een grote fout. De schouder moet vastliggend zijn, lang, schuin en goed gespierd, hetgeen ook een goeden gang bevordert.
Onmiddellijk achter de schouder is een meer of minder uitkomende holte. Het hazenleger (22) genaamd, dat echter zoo klein mogelijk moet wezen. Een groot hazenleger wijst op platte ribben of losse schouders.
Aan den schouder volgt de opper- en bovenarm (23).
Hierop volgt de onderarm of voorschenkel (24) met de elleboog (25).
Onder den onderarm ligt de voorknie (26), en hierop volgt de voorpijp (27), het kogelgewricht (28), de koot (29a), de kroon (29b), de hoeven of de klauwen (30) en het achterklauwtje of bijklauw (31).
De bijklauwen moeten hoog gelegen zijn en dus geenszins den grond raken. De ruimte tussen de twee hoeven heet klauwspleet. Hier ontstaan vooral ook blaren bij ‘mond-en-klauwzeer’.
De voorbeenen moeten tot de kooten loodrecht staan, en niet grof, maar droog en sterk wezen met droge, krachtige en buigzame gewrichten.
De kooten moeten kort zijn en vooral niet doorzakken of slap wezen; dat getuigt van zwakte. Te steile kooten is eveneens als een gebrek te beschouwen.
Staan de knieën te kort, dan heet dit gebrek: ‘kalverknieën’.
Staan de geheele voorbeenen te kort bijeen, dan wijst dit op te smalle borst.
Zijn de voorbeenen in het kniegedeelte naar voren gebogen, dan heet dit ‘bokbeenigheid’. En inderdaad komt dit gebrek veel bij bokken, vooral onder de oudere, voor.
Grooter is echter het tegenovergestelde gebrek, namelijk, dat de knieën naar achteren zijn gebogen. Dit heet ‘holle’ knieën, en wijst op zwakte in bouw.
 
De borst moet breed zijn, diep en goed ontwikkeld. De rug moet lang, sterk en recht; dus niet naar boven gebogen (karperrug) en vooral niet ingezonken (zadelrug). Een lange rug wijst op melkrijkheid en goeden opfok. Een slappe rug op zwakte.
De benedenlijn van den romp moet aan de borst het laagst gelegen zijn, verder naar achteren verloopen, om bij den uier iets te stijgen. Zoo zijn dan ook geen hangbuiken aanwezig, welke wijzen op onoordeelkundige voeding, verpleging en opfok.
De lendenen moeten breed zijn om ruimte aan de buik te geven voor flink ontwikkelde ingewanden en van baarmoeder bij dracht. De lendenen mogen echter niet te lang zijn, anders wordt de hongergroef of miltkuil (36) te groot.
De flank (37) moet goed aangesloten zijn, hetgeen van kracht getuigt. Dit is van groote beteekenis, omdat zij mede-drager is van de ingewanden en van de vrucht en omdat ze dienst doen bij ademhaling en afscheiding van de vrucht.
 
De uier (40) moet zijn lang, diep en breed. Hanguiers, welke wel diep, maar niet lang en breed zijn, maken wel veel vertoon, maar hebben geen grooten inhoud en zijn vaak lastig bij het melken.
In de uier liggen melkklieren, waarom het ons te doen is, maar ook bindweefsel, vetweefsel, bloedvaten, lymphevaten en zenuwen. Wordt de inhoud van een uier nu te veel ingenomen door bindweefsel, enzovoort, zoodat te weinig klierweefsel aanwezig is, dan noemt men zoo’n uier: vleeschuier. Deze uiers zijn even mooi ná als vóór het melken.
De beharing van den uier moet fijn zijn.
De spenen ziet men graag goed ontwikkeld, goed staande (iets naar voren gericht) en matig lang; te groote spenen (koespenen) zijn niet aan te bevelen.
 
De verbindingen tusschen de zitbeenknobbels, de eerste staartwervels en het kruisbeen heeten: de banden. Deze moeten sterk en kort wezen.
43 is de plaats, waar de draaier van het dijbeen zich bevindt en waar dus de bekkenbreedte wordt gemeten.
Het kruis moet zijn matig lang en flink breed (plaats voor de uier en tevens voor gemakkelijke geboorte); vooral niet toegespitst en niet te sterk hellend.
De achterdij (50) vormt met een deel van den achterschenkel de broek (51), welke in de hak of hielpees (52) verloopt, die op haar beurt eindigt aan de hak of hiel (48).
Op den uier en de uierboord (59) groeit het haar voor een deel in tegengestelde richting, met den top naar boven. Dit zóó begroeid vlak heet de ‘melkspiegel’.
Een dier noemt men ‘koehakkig’ als de hakken te kort bij elkaar zijn geplaatst en de pijpen, van achteren gezien, weer naar onderen toe van elkaar afwijken.
 
De lichaamsbouw van de geit moet groot, slank en gerekt wezen, wat wijst op adel en melkrijkheid. Maar ook krachtig moet de lichaamsbouw wezen, om gezonde dieren te fokken met groot weerstandsvermogen.
Schoft en kruishoogte moeten ongeveer gelijk zijn; de romplengte mag hoogstens twee á drie centimeter korter wezen dan de schofthoogte.
Borst- en bekkenbreedte moeten ongeveer gelijk zijn. De borstomvang is bij geiten gemiddeld vijf centimeter en bij boken elf tot vijftien centimeter meer dan de lichaamslengte.
 
Ik meen in deze paar artikelen althans het voornaamste van de leer van het exterieur te hebben aangestipt en daardoor den gewonen geitenhouder en fokker van dienst te zijn geweest.
Zij, die echter voorlichtend en voorwerkend moeten optreden, mogen van een en ander werkelijk heel wat diepere studie maken. Hiertoe verwijs ik naar het desbetreffende hoofdstuk van mijn werk: “Nederlandsche Geitenteelt”.
De Geit en hare Verzorging, juni 1917
Sittard, Jacq. Timmermans
Veeteeltconsulent

 

  
Geitenkeuringen in Heusdenhout in Breda 1909.
Twee kiekjes genomen op de allereerste melkgeiten tentoonstelling van vorige eeuw na eerste import van Saanen boķen en geiten uit Zwitserland die op de populatie Landgeiten werd ingezet om meer ras adel en melkgift te bevorderen.
Op de foto's zie je het keuren van groepen gehoornde Witte geiten en van ongehoornde Bonte en Witte geiten. Duidelijk is de invloed van de Witte Saanen te zien maar ook nog kemerken van Nederlandse Landgeit.

 

WITTEENBONTEGEITEN.NL