|
Het exterieur van geiten |
| |
Gaven we in het voorgaande een plaatje met een onderschrift, waaruit men leerde de namen van de verschillende onderdeelen van het geraamte, thans geven we een afbeelding van een geit, van het exterieur zelf, welke met de nummertjes correspondeeren, die men in het onderschrift vindt.
Ik achtte noodig ook deze afbeelding te geven, om, wanneer we de verschillende uitwendige deelen bespreken, zeker te zijn, goed verstaan te worden. Want het is merkwaardig hoe soms afwijkende benamingen voor de verschillende deelen van het lichaam in verschillende streken van ons land gegeven worden. Nog erger; bepaalde benamingen worden vaak door elkaar gegooid.
Daarom had ik graag dat men ook dit plaatje weer bewaarde, evenals het vorige. Daar hebben we veel gemak van bij de verdere besprekingen van de eischen, aan het exterieur van de geit te stellen.
|
| |
 |
|
|
Ons plaatje stelt een ongehoornde geit voor.
Men heeft liefst ongehoornde geiten. Ongehoornde geiten zouden meer
handelbaar wezen en kalmer; men loopt geen gevaar, dat de dieren andere
met hun horens wonden; zij raken niet verward in touw of ketting; kunnen
niet zoo gemakkelijk het hok of den stal vernielen. Verder noemt men
nog als voordeel, dat uit den aard der zaak al heel gering zal wezen:
dat de voedingsstoffen, die noodig waren voor hoornvorming, bij
ongehoornde dieren voor betere doeleinden ten goede komen. En ten
slotte wordt nog eens verteld, dat de melk van ongehoornde geiten een
milderen smaak heeft dan die van gehoornde, iets, wat ik tot dusver nog
niet heb kunnen contateeren. Daartegenover staat, dat het hoornlooze
vooral wel wat in doet boeten aan uiting van kracht en sterkte. Dr.
Wester wees er reeds op, dat bij bokken dit wel verband kon houden met
grootere vatbaarheid voor onvruchtbaarheid.
|
|
|
|
Nemen we nu het plaatje van de geit voor ons,
waarop de verschillende uitwendige deelen met cijfertjes zijn
aangegeven. Voor het gemak zal ik in deze beschrijving weer
overeenkomstige cijfertjes gebruiken.
|
|
De voorhoofds- of tusschenhoornkam (1) is een
verhevenheid midden op den kop, dus als er horens aanwezig zijn,
tusschen beide horens.
|
|
De nek (2) ligt tusschen beide ooren; dus
vanaf de voorhoofdskam tot het begin van de hals. De profiellijn van den
kop, is de lijn, getrokken langs den voorkop. Zij kan recht, maar liefst
iets ingedoken wezen onder de oogen; het voorhoofd moet iets welven.
|
|
De ooren moeten lang, fijn, licht en
fijnbehaard wezen.
|
|
De geit moet levendig, maar zacht uit de
oogen zien, de bok daarentegen vurig, bij het boosaardige af.
|
|
De kop moet verder nog wezen: edel,
vriendelijk, vrij lang, licht, maar in het voorhoofd toch breed. Van een
bok iets korter. Nooit spitse muilen en smalle kaken. Een dikke, plompe
kop wijst op niet edel zijn en levert vaak moeilijkheden bij geboorte.
Reizen in vochtig weer, gebrek of verwaarloozing kunnen tijdelijk of
blijvend dikke koppen veroorzaken. |
|
Aan den hals (14) onderscheidt men: een bovenste (15) en een ondersten
halsrand (16), waartussen de zijvlakten van den hals. De hals moet vrij
lang, slank en toch voldoende gespierd wezen. Vooral uit de voorborst
moet hij krachtig komen en naar den kop smaller verloopen. De hals moet
schuin, iets ingedoken, dus iets hertenhalsachtig oploopen. Een sterke
insnoering van den hals voor de schoft wijst echter op oververedeling of
verzwakking. De hals van den bok moet wat korter en krachtiger wezen,
zonder grof te zijn. Aan den hals komen wel klokjes voor. Bij het eene
ras meer dan bij het andere; zij hebben echter geen beteekenis. |
|
|
|
De romp wordt verdeeld in drie deelen: ten eerste het voorstel of de
voorhand, dat is dat gedeelte, hetwelk is gelegen tusschen loodrechte
vlakken, geplaatst voor de boegknobbels en achter de achterste hoeken
der schouderbladen; ten tweede, het middenstel of middelhand, die
grenzen heeft laatstgenoemd vlak en een loodrecht vlak, geplaatst voor
de heupknobbels; ten derde, het achterstel of de achterhand, begrensd
door laatstgenoemd vlak en een loodrecht vlak, geplaatst achter de derde
zitbeenknobbels. |
|
|
|
De boeg (19) wordt gevormd door den boegknobbel of katrol van het
opperarmbeen.
|
|
De schoft (20) wordt gevormd door de lange doornvormige uitsteeksels van
de eerste, vooral de vijf eerste, ruggewervels. De schoft moet recht
zijn en ook recht in de ruglijn overgaan.
|
|
Dan volgt de schouder of het schild (21). Staat de schouder aan den boeg
af, boegig, of heeft men te doen met losse schouders, dan wijst dit op
slap spierstelsel en banden. Platribbigheid der borst kan mede oorzaak
zijn van boegigheid. Dus een grote fout. De schouder moet vastliggend
zijn, lang, schuin en goed gespierd, hetgeen ook een goeden gang
bevordert.
|
|
Onmiddellijk achter de schouder is een meer of minder uitkomende holte.
Het hazenleger (22) genaamd, dat echter zoo klein mogelijk moet wezen.
Een groot hazenleger wijst op platte ribben of losse schouders.
|
|
Aan den schouder volgt de opper- en bovenarm (23). |
|
Hierop volgt de onderarm of voorschenkel (24) met de elleboog (25).
|
Onder den onderarm ligt de voorknie (26), en hierop volgt de voorpijp (27), het kogelgewricht (28), de koot (29a), de kroon (29b), de hoeven of de klauwen (30) en het achterklauwtje of bijklauw (31).
De bijklauwen moeten hoog gelegen zijn en dus geenszins den grond raken. De ruimte tussen de twee hoeven heet klauwspleet. Hier ontstaan vooral ook blaren bij ‘mond-en-klauwzeer’.
De voorbeenen moeten tot de kooten loodrecht staan, en niet grof, maar droog en sterk wezen met droge, krachtige en buigzame gewrichten.
De kooten moeten kort zijn en vooral niet doorzakken of slap wezen; dat getuigt van zwakte. Te steile kooten is eveneens als een gebrek te beschouwen.
Staan de knieën te kort, dan heet dit gebrek: ‘kalverknieën’. Staan de geheele voorbeenen te kort bijeen, dan wijst dit op te smalle borst.
Zijn de voorbeenen in het kniegedeelte naar voren gebogen, dan heet dit ‘bokbeenigheid’. En inderdaad komt dit gebrek veel bij bokken, vooral onder de oudere, voor.
Grooter is echter het tegenovergestelde gebrek, namelijk, dat de knieën naar achteren zijn gebogen. Dit heet ‘holle’ knieën, en wijst op zwakte in bouw.
|
|
|
|
De borst moet breed zijn, diep en goed ontwikkeld. De rug moet lang,
sterk en recht; dus niet naar boven gebogen (karperrug) en vooral niet
ingezonken (zadelrug). Een lange rug wijst op melkrijkheid en goeden
opfok. Een slappe rug op zwakte. |
|
De benedenlijn van den romp moet aan de borst het laagst gelegen zijn,
verder naar achteren verloopen, om bij den uier iets te stijgen. Zoo
zijn dan ook geen hangbuiken aanwezig, welke wijzen op onoordeelkundige
voeding, verpleging en opfok. |
|
De lendenen moeten breed zijn om ruimte aan de buik te geven voor flink
ontwikkelde ingewanden en van baarmoeder bij dracht. De lendenen mogen
echter niet te lang zijn, anders wordt de hongergroef of miltkuil (36)
te groot. |
|
De flank (37) moet goed aangesloten zijn, hetgeen van kracht getuigt.
Dit is van groote beteekenis, omdat zij mede-drager is van de ingewanden
en van de vrucht en omdat ze dienst doen bij ademhaling en afscheiding
van de vrucht. |
| |
| De uier (40) moet zijn lang, diep en breed. Hanguiers, welke wel diep, maar niet lang en breed zijn, maken wel veel vertoon, maar hebben geen grooten inhoud en zijn vaak lastig bij het melken.
|
|
In de uier liggen melkklieren, waarom het ons te doen is, maar ook bindweefsel, vetweefsel, bloedvaten, lymphevaten en zenuwen. Wordt de inhoud van een uier nu te veel ingenomen door bindweefsel, enzovoort, zoodat te weinig klierweefsel aanwezig is, dan noemt men zoo’n uier: vleeschuier. Deze uiers zijn even mooi ná als vóór het melken. |
|
De beharing van den uier moet fijn zijn. |
|
De spenen ziet men graag goed ontwikkeld, goed staande (iets naar voren
gericht) en matig lang; te groote spenen (koespenen) zijn niet aan te
bevelen. |
| |
| De verbindingen tusschen de zitbeenknobbels, de
eerste staartwervels en het kruisbeen heeten: de banden. Deze moeten
sterk en kort wezen. |
| 43 is de plaats, waar de draaier van het
dijbeen zich bevindt en waar dus de bekkenbreedte wordt gemeten. |
| Het kruis moet zijn matig lang en flink breed
(plaats voor de uier en tevens voor gemakkelijke geboorte); vooral niet
toegespitst en niet te sterk hellend. |
| De achterdij (50) vormt met een deel van den
achterschenkel de broek (51), welke in de hak of hielpees (52) verloopt,
die op haar beurt eindigt aan de hak of hiel (48). |
| Op den uier en de uierboord (59) groeit het
haar voor een deel in tegengestelde richting, met den top naar boven.
Dit zóó begroeid vlak heet de ‘melkspiegel’. |
| Een dier noemt men ‘koehakkig’ als de hakken te
kort bij elkaar zijn geplaatst en de pijpen, van achteren gezien, weer
naar onderen toe van elkaar afwijken. |
| |
| De lichaamsbouw van de geit moet groot, slank
en gerekt wezen, wat wijst op adel en melkrijkheid. Maar ook krachtig
moet de lichaamsbouw wezen, om gezonde dieren te fokken met groot
weerstandsvermogen. |
| Schoft en kruishoogte moeten ongeveer gelijk
zijn; de romplengte mag hoogstens twee á drie centimeter korter wezen
dan de schofthoogte.
|
| Borst- en bekkenbreedte moeten ongeveer gelijk
zijn. De borstomvang is bij geiten gemiddeld vijf centimeter en bij
boken elf tot vijftien centimeter meer dan de lichaamslengte.
|
| |
Ik meen in deze paar artikelen althans het
voornaamste van de leer van het exterieur te hebben aangestipt en
daardoor den gewonen geitenhouder en fokker van dienst te zijn geweest.
Zij, die echter voorlichtend en voorwerkend moeten optreden, mogen
van een en ander werkelijk heel wat diepere studie maken. Hiertoe
verwijs ik naar het desbetreffende hoofdstuk van mijn werk:
“Nederlandsche Geitenteelt”.
|
De Geit en hare Verzorging, juni 1917 Sittard, Jacq. Timmermans Veeteeltconsulent
|